Naar inhoud

Marijke Roosen, Yana Jaspers en Mattias de Backer schreven opiniestuk

  • 24 maart 2022

Na Pano over wangedrag aan universiteiten: ‘Laten we het profiel van de ‘goede’ professor in vraag stellen en hertekenen’

Marijke Roosen, postdoctoraal onderzoeker Vrije Universiteit Brussel (VUB). Yana Jaspers, professor jeugdcriminologie (VUB). Mattias De Backer, postdoctoraal onderzoeker (VUB).

 

MARIJKE ROOSEN E.A.22 maart 2022, 03:00
We zouden graag stellen dat we met open mond naar de Pano-reportage van 16 maart over wangedrag aan de universiteit keken, maar dat zou een leugen zijn. Dergelijke wanpraktijken zijn een publiek geheim aan de universiteit. Denigrerende en seksistische opmerkingen, auteursfraude, misbruik van vertrouwen en van medische informatie en ga zo maar door. Uit onderzoek blijkt dat die wanpraktijken vaker voorkomen aan de universiteit dan in andere professionele settings. Zoals W.F. Hermans hyperbolisch schreef: “Wie zich aan de universiteit misdraagt, zit goed.”

Het Belgische academisch landschap is enorm verkokerd met een sterk hiërarchische piramide die alle macht concentreert bij professoren met een permanente aanstelling. Onderzoekers zijn afhankelijk van die ene centrale figuur. Dat leidt gemakkelijk tot misbruik. Universiteiten zijn bovendien greedy institutions, zou socioloog Lewis Coser zeggen. Hebberige instituties eisen een verregaande toewijding aan de instelling, waarbij grenzen vervagen. Uit een studie van Nature blijkt dat deze competitieve omgeving leidt tot mentale problemen bij één op de drie doctoraatsstudenten. De publicatiedruk is hoog, contracten zijn tijdelijk en deeltijds, toekomstige financiering en tewerkstelling is onzeker.

Het probleem is dat machtsmisbruik in het academische milieu steevast dient te worden beoordeeld en geremedieerd door collega’s of directe oversten. Dat kan nooit een goede werkwijze zijn. De universiteit is onvoldoende uitgerust om een dergelijk gedrag in te tomen; old boys networks floreren volop en er zijn te weinig checks-and-balances om een en ander te corrigeren.

Het is daarom ironisch dat het academische milieu zich profileert als een instituut met hoge maatstaven wat betreft ethiek en waarheid. Papers en projectvoorstellen worden onderworpen aan strenge internationale peerreviews en projecten worden beoordeeld door ethische commissies allerhande. In het licht van de Pano-reportage lijken die mechanismen bijna windowdressing. En ze zijn in alle geval niet geschikt om fraude met bevindingen of machtsmisbruik ten aanzien van onderzoekers te detecteren.

De dag na de Pano-reportage komt UGent-rector Rik Van de Walle met een statement waarin hij stelt wangedrag ondubbelzinnig te erkennen. We worden er wat cynisch van dat er blijkbaar media-aandacht nodig is vooraleer problemen, waarvan de hele universitaire gemeenschap allang op de hoogte was, worden besproken en aangepakt. Men stopt pas met wegkijken wanneer wegkijken écht niet langer een optie is.

We lezen dat de nodige beslissingen zullen worden genomen om het probleem aan te pakken. Van de Walle pleit voor een extern en onafhankelijk meldpunt. Hij argumenteert dat er een duidelijker onderscheid moet worden gemaakt tussen de rol van vertrouwenspersonen enerzijds en stappen in een tuchtprocedure anderzijds.

Dat statement stelt ons teleur. Ja, meldpunten en vertrouwenspersonen – zowel intern als extern – zijn zeer belangrijk. Maar door dat als voornaamste ingreep naar voren te schuiven, leggen we opnieuw de verantwoordelijkheid en het initiatief voor het oplossen van het probleem bij (jonge) onderzoekers. Het spreekt vanzelf dat slachtoffers en omstanders hun verhaal ergens kwijt moeten kunnen, zodat er bij concrete incidenten kan worden opgetreden en alle betrokkenen de juiste ondersteuning krijgen. Een extra meldpunt blijft hier echter vijgen na Pasen. Het zijn acties die pas genomen worden nadat het gedrag al gesteld werd. Preventie door het probleem van binnenuit aan te pakken is vele malen belangrijker. De rector lijkt er zich nog steeds niet van bewust dat het hier gaat om een structureel probleem en niet een probleem van enkele individuen. Structurele problemen los je niet op door brandjes te blussen.

We moeten verder kijken dan getuigenissen over individuen. We moeten het profiel van de ‘goede’ professor in vraag stellen en hertekenen. Werving en evaluaties moeten meer screenen op sociale vaardigheden en peoplemanagement. Er is bovendien een beter evenwicht nodig in de manier waarop verschillende rollen van een academicus te gelde worden gemaakt. Internationale publicaties zijn belangrijk, net als maatschappelijke impact en de inzet als goede lesgever. De ideale prof is een degelijke mentor voor jonge onderzoekers en een fijne collega.

Het probleem erkennen is een noodzakelijke, maar onvoldoende eerste stap. Vaste waarden en bestaande dynamieken dienen nu op de schop te gaan. Er is veel meer nodig dan wat verontwaardigd getweet en symbolische acties.